Baby's zijn taalwonders /reageer

Baby

Het herkennen van je moedertaal en afzonderlijke woorden is essentieel voor de spraak- en taalontwikkeling.

Voor je als baby een taal kunt leren en gaat praten, moet je weten wat je moedertaal is. Ook is het noodzakelijk dat je woorden kunt herkennen uit de brei van achterelkaaruitgesprokenwoordenzonderhoorbarespaties. Deze twee onderwerpen staan dan ook centraal in het wetenschappelijk onderzoek naar vroege spraakwaarneming en taalontwikkeling van kinderen. Slechthorende en dove kinderen om precies te zijn. Maar ook over de taalverwerking van horende baby’s is nog heel weinig bekend.
(Lees over een ander aspect van hoe baby’s taal leren in ‘Wiskunde beschrijft groeiende woordenschat baby‘ op deze site.)

Pulsen

Kinderen die doof geboren worden, kunnen tegenwoordig al voor hun eerste levensjaar in aanmerking komen voor een cochleair implantaat (CI). Deze binnenoorprothese zet geluid om in elektrische pulsen die rechtstreeks de gehoorzenuw stimuleren. Veel dove kinderen kunnen zo toch geluiden horen, spraak verstaan en zelf hun gesproken taal ontwikkelen. Doordat ze relatief kort helemaal doof zijn geweest, loopt hun taalwaarneming en –ontwikkeling minder schade op dan voorheen bij kinderen, die pas op vijfjarige leeftijd een implantaat kregen.
Hoe die ontwikkeling echter precies verloopt en hoe groot de ‘schade’ is, is echter onduidelijk. Er is nog weinig onderzoek naar deze doelgroep gedaan, omdat er pas sinds een jaar CI’s worden aangebracht bij baby’s jonger dan een jaar.

Geluidloze periode

Dr. Ellen Gerrits doet dan ook onderzoek naar het effect van zo’n implantaat op taalverwerving, vanuit het babytaallab van de Universiteit Maastricht, in samenwerking met het lab van de Universiteit Utrecht. Daarnaast wil het onderzoek in kaart brengen hoe de taalontwikkeling verloopt van slechthorende baby’s en peuters met een hoortoestel. Ellen Gerrits: ‘Door de spraakperceptie van dove baby’s met CI te vergelijken met die van slechthorende baby’s met een hoortoestel en goedhorende baby’s, wordt duidelijk wat het effect is van een ‘geluidloze’ periode op de spraak- en taalverwerving van kinderen. Er is nog maar weinig wetenschappelijke kennis op dit gebied.’

Japans

Gerrits kreeg in 2004 een Veni-beurs van NWO om daar verandering in te brengen. Ze zoekt nog dove en slechthorende kinderen voor het onderzoek. Al tweehonderd goed horende baby’s zijn in het babytaallab langs geweest.
In dat babytaallab krijgen baby’s links en rechts via een speaker woorden en zinnen te horen. Door de duur van hun aandacht voor een geluidsfragment te meten, kan bepaald worden of het kind een voorkeur heeft voor een bepaald type geluidsfragment. In de experimenten met horende kinderen werd tot nu toe bijvoorbeeld een Nederlands fragment afgespeeld en een Japans. Ellen Gerrits: ‘Het blijkt dat kinderen van negen maanden oud al in staat zijn het verschil te horen tussen hun moedertaal en deze totaal anders klinkende taal. De aandacht voor het moedertaalfragment was groter dan die voor de vreemde taal. De vraag is nu of dat ook geldt voor kinderen met een CI. Kunnen zij dat onderscheid ook al zo snel maken?’