Duurzaam is niet groen, zeker niet in beleggen /reageer

Duurzaam is niet groen, zeker niet in beleggen

Jarenlang hadden ze de wind mee, de beleggingsfondsen in groene en duurzame projecten. Maar nu het kabinet-Rutte ­aantreedt, met het ­voornemen om een eind te maken aan de grootste ­fiscale ­voordelen, straalt de zon ineens een stuk minder voor beleggers met een hart voor de planeet en de medemens.
Vijf misverstanden verhelderd.

#1. Groen = duurzaam

Er zijn twee fundamenteel ­verschillende categorieën: conventioneel duurzaam beleggen en fiscaal vrijgesteld duurzaam beleggen. De laatste vorm dateert van 1995, toen de overheid de regeling Groen Beleggen in het leven riep. Doel was duurzame ­projecten in Nederland op het gebied van natuur en landschap, biologische landbouw, energie en duurzame woningbouw gefinancierd te krijgen. Krijgen zulke ­projecten een ‘groenverklaring’ van de overheid, dan mag er in belegd worden via ­zogeheten groenfondsen. U belegt dan dus niet in waardepapier (aandelen of obligaties) maar in reële projecten. ­Bovendien betaalt u geen 1,2 procent ­vermogensrendementsheffing én ­vermindert uw belastingaanslag via een heffings­korting met 1,3 procent. Tot een bedrag van 55.145 euro (in 2010) ­betekent dat dus een maximaal éxtra ­rendement van 2,5 procent. Later zijn ook ­culturele fondsen in het leven ­geroepen, en sociaal-ethische fondsen om projecten in derdewereld­landen te ­financieren. ­Beleggingen ­daarin worden, in grote lijnen, fiscaal hetzelfde ­behandeld als de groenfondsen. Het ­kabinet-Rutte neemt zich voor aan de 1,3 procent heffingskorting een eind te maken. Als dat doorgaat, blijft er dus maar 1,2 ­procent fiscaal voordeel over, waarmee de verhouding met een spaarrekening ­ineens weer de verkeerde kant opvalt.

In het andere geval, dat van ­conventioneel duurzaam beleggen, gelden andere regels. Er wordt belegd in een fonds dat aandelen of obligaties koopt in ­bedrijven die voldoen aan duurzaamheidseisen. Die bedrijven worden dus niet alleen geselecteerd op financiële ­criteria, maar ook op hoe ze omgaan met het milieu en hun mensen. Zulke fondsen ­hanteren verschillende strategieën. Ze sluiten sectoren uit als de ­wapenindustrie, de tabakssector of de bio-industrie, ­investeren in de best in class in ­bestaande sectoren (wat ­bijvoorbeeld geldt voor Nederlandse ­multinationals als Philips, Akzo, TNT en ­Unilever), of juist in bedrijven uit ­duurzame sectoren (cleantech, watertechnologie) of in een combinatie van deze. Beleggen in deze fondsen is even ­risicovol als beleggen in ‘reguliere’, niet-duurzame fondsen en kent dus ook ­hetzelfde ­fiscale regime. Groen is dus duurzaam, maar duurzaam is niet altijd groen.

#2. Duurzaam is uit

Hoewel niet valt te ontkennen dat veel mensen de klimaatretoriek van Al Gore cum suis een beetje beu zijn en de rel rond het wereldwijde klimaatpanel IPCC de groene lobby ook al geen goed deed, blijkt de Nederlandse consument steeds meer bereid niet alleen duurzaam te ­praten, maar ook echt groen te doen.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit de groei van het aandeel biologische en duurzame voedingsmiddelen in de supermarkt, maar ook uit de schier ­continue groei van de duurzame spaar- en beleggingsmarkt. Volgens de VBDO groeide die markt ­vorig jaar tot 16,76 miljard; een groei van 2,5 miljard euro, ofwel: ruim 17,5 procent.