Een andere wetenschappelijke blik op klimaatveranderingen /19 reacties

5 | Waarom zien de satellieten zo weinig opwarming?

Tiros satelliet (beeld: NASA)Gezien de problemen die er kleven aan de weerstations, ligt het voor de hand om de opwarming van de onderste luchtlaag, de troposfeer, te meten vanuit de satelliet. Dat kan met de Tiros-satelliet, die sinds 1979 rond de aarde cirkelt en die de warmtestraling meet op verschillende hoogtes.

Het omrekenen van deze straling naar temperaturen is niet triviaal. De twee belangrijkste onderzoeksgroepen die het doen, komen dan ook tot zeer verschillende temperatuurtrends. De groep van John Christy en Roy Spencer van de universiteit van Alabama in Huntsville (UAH) vinden een temperatuurstijging van 0,14 graden per tien jaar voor de pakweg onderste acht kilometer van de atmosfeer.
Die van Carl Mears en Frank Wentz van het onderzoeksbureau Remote Sensing Systems (RSS) vinden een trend van 0,18 graden per tien jaar. Beide vallen dus lager uit dan de oppervlaktetemperatuurreeksen, die een trend van zo’n 0,2 graden per tien jaar laten zien.

En dat klopt niet, vindt Christy. “Alle klimaatmodellen geven aan dat de troposfeer wereldwijd 1,2 keer zo snel zou moeten opwarmen als het aardoppervlak”, schreef hij onlangs op de weblog ClimateAudit. Maar het omgekeerde is dus het geval.

Als dat zo is, kan de slotsom zijn dat het overgrote deel van de atmosfeer tussen 1980 en nu nauwelijks meer opwarmde dan een tiende graad per decennium

De laatste jaren is er eindeloos gesteggeld welke satellietreeks, UAH of RSS, er nu beter is. Sceptici verkozen de lagere UAH-temperaturen, ‘voorstanders’ van de broeikastheorie de RSS-reeks. Onlangs boekte het UAH-kamp wat dit betreft een kleine overwinning: Robb Randall en Benjamin Herman, overigens zelf werkzaam aan de universiteit van Alabama, concludeerden in het Journal of Geophysical Research dat de UAH-reeks beter overeenkomt met de metingen uit de honderden weerballonnen die dagelijks over de hele wereld worden opgelaten. Dat is in lijn met eerdere publicaties die tot dezelfde conclusie waren gekomen.

Als dat zo is, kan de slotsom zijn dat het overgrote deel van de atmosfeer tussen 1980 en nu – een periode van ongeëvenaarde opwarming, volgens sommigen – nauwelijks meer opwarmde dan een tiende graad per decennium. Dat is niet meer echt ‘ongeëvenaard’ te noemen. Gecombineerd met het inzicht dat de oppervlaktetemperatuur op 2 meter hoogte een verkeerde thermometer is om de ‘koorts’ van het klimaat te bepalen, zou dat betekenen dat het allemaal reuze meevalt, met die opwarming van de aarde.

6 | Smelt het zeeijs echt wel zo hard?

Bron NSIDC, grafiek: InfographicsHet meest ‘dramatische’ bericht dat we de afgelopen tijd hoorden, was ongetwijfeld de afname in zeeijs rond de Noordpool, afgelopen september. Die afname was fors. Er lag zo’n 39 procent minder zeeijs dan het langjarige gemiddelde. In september was er 4,3 miljoen vierkante kilometer zeeijs, veel minder dan de 5,6 miljoen vierkante kilometer in het vorige recordjaar, 2005. Nooit eerder was er aan het einde van de zomer zo weinig zeeijs, lazen we in de kranten.

In september was er 4,3 miljoen vierkante kilometer zeeijs, veel minder dan de 5,6 miljoen vierkante kilometer in het vorige recordjaar, 2005

‘Nooit eerder’ blijkt in dit geval te betekenen: ‘sinds 1979’, want toen begonnen de satellietmetingen. Maar in het uitgebreide persbericht van het National Snow and Ice Data Center (NSIDC) laat onderzoeker Mark Serreze geen misverstand over de afname bestaan: “Hoewel een aantal natuurlijke factoren zeker heeft bijgedragen aan de afname in zeeijs, beginnen de effecten van het broeikaseffect nu toch luid en duidelijk zichtbaar te worden.” Het persbericht stelde ook dat de Noordpool in 2030 ‘s zomers wel eens ijsvrij kan zijn. Een paar maanden later scherpte Nasa-onderzoeker Jay Zwally die prognose zelfs aan tot 2012.
Wat het persbericht echter niet meldde, was dat er in september nog een record was gevestigd, aan de andere kant van de aardbol. Nooit eerder – of althans, niet sinds 1979 –
was er zoveel zeeijs waargenomen rond Antarctica. Begin januari, toen het zeeijs rond de Noordpool zich weer behoorlijk had hersteld tot het gemiddelde niveau van de afgelopen jaren, was het totale oppervlak aan zeeijs op aarde hierdoor precies terug op het niveau van 1979.

Intussen blijft het de vraag hoe het zat vóór 1979. Tussen 1950 en 1980 daalde de temperatuur op de Noordpool en breidde het zeeijs zich uit. Vanaf 1980 was er een sterke opwarming en vanaf dat moment waren er ook goede satellietopnames die de afkalving van het zeeijs konden waarnemen. Maar wat nemen we eigenlijk waar, het verval van het zeeijs of een terugkeer naar een normale toestand?