Europa heeft volop uraniumrijk zwerfvuil, genoeg voor een vuile bom /reageer

Europa heeft volop uraniumrijk zwerfvuil, genoeg voor een vuile bom

Met het verrijkt uranium dat in Europa voor zwerfvuil ligt, zouden terroristische groeperingen vuile bommen kunnen maken, vrezen deskundigen. Miljoenen gaan er in het opsporen en opruimen. Is het genoeg?

In de bossen van Letland, tien kilometer buiten de hoofdstad Riga, staat de kernreactor van Salaspils. Hoewel, staat? De muren staan nog overeind, maar daar is dan ook alles mee gezegd. De nucleaire onderzoeksreactor van het Instituut voor Natuurkunde ligt volledig op zijn gat. Wie in Salaspils rondloopt, waant zich in een spookkasteel. Dat was drie jaar geleden zo, en dat is nog steeds het geval.

Erfenis van de Sovjet Unie

Een vuile bom is geen kernbom, maar de gevolgen van een aanslag met zo’n bom kunnen net zo groot zijn

Veel van de ruiten zijn gebroken. In de lange, uitgestorven gangen stinkt het naar konijnenhok. Links en rechts tikken geigertellers op krakkemikkige tafeltjes, en de laboratoria zijn leeg. Er staat een gekneusde cactus naast enkele flesjes met een onduidelijke inhoud. De apparatuur is kapot en de deuren hangen uit hun hengsels. Op een paar stafleden, wat achtergelaten apparatuur, een werkende kernreactor en een oude cactus na is Salaspils volledig uitgestorven. Zelfs de airconditioning doet het niet meer.
In Salaspils werd ooit onderzoek gedaan. De centrale leverde 5.000 kilowatt energie in de vorm van neutronen-opbrengst. Maar het onderzoek ligt nu al jaren stil. Er rest een bouwval met een ‘zwembad’ van 40.000 liter, met daarin twintig kilogram gloeiend heet en hoogradioactief uranium, goed voor nog zo’n 40 kilowatt warmte-energie.

Salaspils is een erfenisje uit de tijd van de Sovjet-Unie. Bij de sluiting, in 1998, is de meeste Russische onderzoeksapparatuur meegenomen, de hoogradioactieve reactor en de onderzoeksgebouwen zijn blijven staan. Het gaat om een IRT 1000, een van de eerste Russische onderzoeksreactoren. Gebouwd in 1959 en door de Russen in 1998 achtergelaten. Sindsdien wordt het instituut draaiende gehouden door een handjevol personeel dat ooit voor de Russische apparatuur opgeleid is. Sommigen van hen zijn inmiddels hoogbejaard, en het lijkt er niet op dat ze ooit door jongere collega’s opgevolgd zullen worden. In de voormalige sovjetrepublieken zijn er nog maar weinig mensen die weten hoe je met splijtstaven van Russische makelij om moet gaan.

Bejaarde monteurs

Een van de medewerkers van het instituut is Janis Berzins. Hij werkt hier al ruim vijftig jaar en was erbij toen op 26 september 1961, om twee minuten over vijf ’s middags, de eerste kernsplitsing-kettingreactie in gang gezet werd. ‘Kritiek gaan’ heet dat.

Er zijn geen jongere deskundigen die de Russische reactor kunnen beheren en ontmantelen. Berzins is nu over de zeventig jaar, maar noodgedwongen is hij nog steeds dagelijks in het spooklaboratorium te vinden. ‘Om op te ruimen’, zegt hij. ‘Aan onderhoud komen we niet echt toe.’

In mei 2005 werd alvast drie kilogram verrijkt uranium teruggehaald naar Rusland. Maar het grote probleem blijft de ontmanteling van de centrale.

Onderdirecteur Berzins is met enkele andere oudgedienden, en zo nu en dan geassisteerd door een buitenlandse deskundige, bezig om voorbereidingen voor de ontmanteling van de reactor te treffen. Maar dat proces is wegens geldgebrek al enkele keren uitgesteld. ‘In 2010 moeten de eerste en de tweede beschermingsschil klaar zijn om afgebroken te worden’, vertelt hij.