Extroverte popmuziek vaak achter introverte gevels /1 reactie

Extroverte popmuziek vaak achter introverte gevels

Poppodia stellen vanwege hun geluidsproductie speciale eisen aan architecten en ingenieurs. Het levert vaak gesloten gevels op.

De afgelopen tien jaar zijn poppodia ineens statussymbolen geworden voor met name middelgrote steden. Opvallende nieuwe gebouwen verrezen: Breda kreeg Mezz, Haarlem het Patronaat, Tilburg 013, Eindhoven de Effenaar, Zwolle Hedon, en daarmee is de lijst verre van compleet. Dat was wel even wat anders dan in het verleden, toen popmuziek het moest doen met afdankertjes. Paradiso in Amsterdam, een in onbruik geraakte kerk, was een blauwdruk van het gemiddelde poppodium: spartaans en in menig opzicht onhandig ingericht. Het Rotterdamse Watt zit in een vooroorlogse bioscoop.

Hoe anders is dat bij 013, een van de eerste poppodia nieuwe stijl en het eerste dat in het hartje van een stad gebouwd werd, dé plek voor prestigeuze cultuurprojecten. De cd’s die de gevel bekleden geven al aan dat dit gebouw speciaal voor de muziek. De entree is niet echt majestueus, maar daarachter bevindt zich – anders dan bij Paradiso – een ruime foyer met bar. De grote zaal, uitgevoerd in hetzelfde matte zwart dat universeel is voor poppodia, biedt plaats aan 2200 bezoekers. Twee kleinere zalen hebben een capaciteit van respectievelijk 350 en 150 man.

Zoals 013 zitten de meeste moderne poppodia in elkaar: minstens twee zalen van verschillende omvang en ruime gelegenheid voor horeca. In het geval van 013 bevat het gebouw ook nog oefenruimtes voor bands en een opnamestudio.

Pisbak

Vanuit ingenieursoogpunt is geluid logischerwijs de belangrijkste ontwerpuitdaging. ‘Het ontwerp moet isoleren, naar buiten toe, maar ook naar binnen, want ruimten mogen onderling geen hinder van elkaar ondervinden’, zegt Annemiek Bergman van Diederendirrix Architecten, dat betrokken was bij de nieuwbouw van Het Patronaat in Haarlem en Dynamo in Eindhoven (een jongerencentrum met concertzaal). ‘Geluidsabsorptie is daarom in veel ruimten noodzakelijk.’

Bij de meeste popconcertzalen geldt dan ook als eis dat er geen mechanisch starre verbindingen mogen zijn tussen de zalen en de buitenwereld. Bij Het Patronaat in Haarlem zijn veren gebruikt om ruimtes van elkaar te scheiden. Dat is een kunststukje van het geringe bouwoppervlak dwong architect Paul Diederen tot stapelen: de kleine zaal zit in de kelder, daarboven zit de lobby en daar weer boven de grote zaal. De betonnen constructie van de grote zaal rust in zijn geheel op gigantische veren. Ook Tagrijn in Hilversum bestaat uit twee geveerde zalen, gescheiden door een foyer.

In andere gevallen worden ook wel rubberen stootblokken gebruikt om ruimtes als het ware in het gebouw op te hangen. Overigens is dit niet uniek voor poppodia. Ook bioscopen en andere concertzalen maken van deze technieken gebruik. De geluidsisolatie naar buiten toe maakt ook dat de popzalen gesloten dozen zijn, waardoor de gebouwen van de buitenkant vaak een introverte indruk wekken. Bij Het Patronaat is dit op enigszins ongerijmde wijze aangepakt door de toiletten transparant te maken. Wie er ’s avonds langs loopt, kan op de eerste verdieping een rij heren voor een langwerpige pisbak zien staan.