Nieuws/ R&D in Nederland blijft achter bij andere Europese landen /reageer
| door: | Hugo Louter |
|---|---|
| over: | financiering, bedrijfskunde, strategie, beleid |
| op: | 15 april 2008 |
Nederland doet het goed op het gebied van wetenschap maar besteedt relatief weinig aan onderzoek en ontwikkeling (R&D).
Kennissysteem
Over het geheel genomen lijkt Nederland te weinig te investeren in het kennissysteem om de groei in de ons omringende landen bij te houden. In combinatie met knelpunten ten aanzien van beschikbare kenniswerkers kan dit op termijn de prestaties van het Nederlandse kennissysteem aantasten.
Die conclusie wordt getrokken in het rapport Wetenschaps- en Technologie-indicatoren 2008 van het Nederlands Observatorium van Wetenschap en Technologie (NOWT). Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Ambitie
Nederland heeft de ambitie om tot de beste kenniseconomieën van de wereld te behoren. De Nederlandse ‘kenniseconomie’ behoort naar internationale maatstaven tot de goed presterende economieën. Met slechts 0,25 procent van de wereldbevolking produceert Nederland 2 procent van alle wetenschappelijke publicaties.
Er zijn echter ook onderdelen waarmee Nederland achterloopt ten opzichte van de zestien referentielanden die in deze studie als vergelijkingsmateriaal hebben gediend.
Voorwaarde
De omvang van de uitgaven aan technisch en wetenschappelijk onderzoek vormt een belangrijke voorwaarde voor het innovatieve vermogen van een land. Nederland blijft echter achter in R&D-uitgaven, in het bijzonder de investeringen door bedrijven.
De groei van de reële R&D-uitgaven is nergens zo laag als in Nederland. Bovendien behoort de R&D-intensiteit (de R&D-uitgaven als percentage van het BBP) tot de laagste binnen de groep referentielanden, en is deze gedurende de laatste jaren ook nog gedaald. Dit wordt vooral veroorzaakt door achterblijvende ontwikkelingen bij de bedrijven en universiteiten.
Tekort
Nederland heeft een aanzienlijk percentage 45- tot 64-jarigen onder hoogopgeleiden. Op termijn verlaten zij de arbeidsmarkt. Hierdoor kan er gebrek ontstaan aan kenniswerkers. Momenteel ziet de leeftijdsopbouw van wetenschappelijk personeel aan de universiteiten er evenwichtig uit.
Kwalitatief onderzoek wijst er echter wel op dat het vooral in de bètatechnische disciplines vaak moeilijk is om posities in de lagere universitaire functiecategorieën vervuld te krijgen. Door internationale mobiliteit is bovendien sprake van een netto uitstroom van hoger opgeleiden uit Nederland.
Vrouwen
Het Nederlandse R&D-personeel kan worden aangevuld door een grotere vrouwelijke inbreng. Hoewel het aantal vrouwen in de universitaire wetenschappelijke posities geleidelijk toeneemt, blijft de arbeidsparticipatie onder hoogopgeleide vrouwen structureel lager dan die van hoogopgeleide mannen.
Inmiddels zijn er meer vrouwelijke dan mannelijke afgestudeerden. Maar de meesten kiezen nog steeds voor een niet-bèta gerichte opleiding, met name in de richtingen Onderwijs, Taalwetenschappen en Gezondheidszorg en welzijn.
Het aantal vrouwelijke gepromoveerden stijgt snel, maar ook hier is het aandeel van Natuurwetenschappen en Techniek relatief klein. Verder kan een toenemend aantal promoties en een verhoogde instroom van studenten, vooral in bètatechnische disciplines, een bijdrage leveren aan het tekort aan R&D-personeel.
Dit artikel verscheen eerder op InFeite.nl














Reacties