Sla groene bressen in de grijze stadsmuur! /2 reacties

Sla groene bressen in de grijze stadsmuur!

De begrippen stad en land zijn niet los van elkaar te zien. Het ene is namelijk niet zonder het andere te definiëren. Dat ligt niet alleen aan het feit dat ze elkaars contrast vormen en dat het verschil ertussen uit te leggen is in kwantitatieve aanduidingen (meer/minder bevolkingsdichtheid, meer/minder culturele voorzieningen, meer/minder groen), ze maken ook elkaars fysieke grens uit.

Waar vroeger het platteland begon waar de stad ophield is nu echter een derde categorie ontstaan. Nederland zit er vol mee: overgeschoten landjes, verdwaalde plekken, hoeken en gaten waar de verder zo overheersende ordening van het land geen vat op lijkt te hebben. Je ziet het meteen voor je; wat onduidelijke bebouwing, wat scheve hekken, een tuintje, een paardenstal en een loods. Het Ruimtelijk Planbureau (RPB) bedacht in 2004 een naam voor deze ombestemde plekken: tussenland. Tussenland is volgens het RPB een aparte ruimtelijke categorie, naast stad en land. Tussenland is niet mooi of lelijk, het is er gewoon.

Toen stad en land nog twee waren, waren de steden ommuurd. De poorters (stedelingen) konden maar op een paar plekken de stad uit, en ’s nachts helemaal niet. Uit defensief oogpunt was zo’n stadsmuur nuttig, maar was er rust en vrede in het land, dan was het een flinke sta-in-de-weg. Ook om moderne steden ligt een stenen omwalling: bedrijventerreinen, verkeersknooppunten, sporthallen, bouwmarkten en een stadion, ofwel tussenland. Echter, hedendaagse poorters kunnen daar zelfs overdag moeilijk uit – de afstanden zijn te groot en de route complex. Zeker om te lopen, vaak ook om te fietsen. Uit economisch oogpunt is ook die nieuwe stadsmuur nuttig, maar zijn we op zoek naar rust en ruimte op het platteland, dan is het een flinke sta-in-de-weg.

Aaneengesloten rommelring

Het is op zich begrijpelijk dat de bedrijven, de sporthallen enzovoort liggen waar ze liggen: in de stad passen ze niet en op het platteland horen ze niet. Maar dat ze de stad als een aaneengesloten rommelring insnoeren, dát getuigt van gebrekkige planning. Zo’n stad voelt grijs, stenig en beklemmend, in plaats van groen, leefbaar en ruim.

Ik ben hartstochtelijk vóór groene steden. Die een afwisseling laten zien van bebouwing en bomen, plantsoenen, parken. Die ingebed liggen in natuurgebieden en mooie landbouwlandschappen. En waar tussen dat stedelijk en landelijk groen fiets- en wandelpaden lopen, omzoomd door bomen en struiken of begeleid door een watertje met natuurlijke oevers. Zulke verbindingen zijn de noodzakelijke ‘groene poorten’ in de stadsmuur. De overheid heeft, plannen gemaakt voor groen in en om de stad, met budgetten zelfs. Maar de uitvoering verloopt tergend traag, en intussen raken de stedelingen meer en meer bekneld tussen nog meer meubelboulevards en kantoortorens.

Verrommeling

De oprukkende bebouwing langs snelwegen en stadsranden zijn ook beleidsmakers een doorn in het oog. Het ministerie van VROM opende onlangs een dossier over de verrommeling van Nederland

De provinciale milieufederaties stelden een kaart op met 1000 meldingen van verrommeling. Deze is onlangs aangeboden aan minister Cramer

Sterker nog: er is de afgelopen 15 jaar weliswaar 50.000 hectare nieuwe natuur ingericht maar er is in grofweg diezelfde periode óók 61.000 hectare bebouwd. Hieronder vallen de vinex-locaties, producten van strakke ruimtelijke ordening, maar ook de totale wildgroei aan kantoren langs de snel- en rijkswegen, de bedrijventerreinen die als een ruimtevloot zijn geland in onze weiden, allerlei infrastructurele werken, glastuinbouw en opstallen voor de industriële landbouw, vakantiedorpen en vrijetijdshallen… Sla daar nou eens een bres in. Van toegang tot groen worden we allemaal gezonder en gelukkiger.

Stenen blijven voorgaan

Waarom worden onze steden dan toch minder groen, ondanks de goede bedoelingen van het Rijk? Voor een deel doordat de stenen nog altijd voorgaan en het groen erachteraan hinkt. Er ligt een stedenbouwkundig plan voor een nieuwe wijk – o jee, park vergeten. Er ligt een financieel plan – ach, de prijs van boomaanplant zit er niet in. De nieuwe wijk wordt opgeleverd – de groenstructuur volgt járen later. Het begint met uitstel, en het draait uit op (gedeeltelijk) afstel. De oplossing is duidelijk: planning en aanleg van groen en grijs gelijk op laten gaan.

Daarnaast is er scherpe concurrentie om de ruimte, die in Nederland nu eenmaal schaars is. Bedrijfsterreinen willen uitbreiden, sportfaciliteiten schuiven naar de stadsrand. Hun ruimtelijke claims hebben steun van gepassioneerde minderheden, zoals dat heet – kamers van koophandel, sportclubs, volkstuinverenigingen. Maar de toekomstige gebruikers van een recreatief fiets- of wandelpad wéten meestal niet eens wat er te winnen valt. Resultaat: voetgangers en fietsers kunnen fluiten naar hun groene poorten óf kunnen ze domweg niet vinden! Gemeentebesturen lijken de aangewezen instantie om al die belangen toch op een zorgvuldige en verlichte manier af te wegen. Maar daar hebben we aspect nummer drie: stadsranden zijn vaak gemeentegrenzen. Dus voor de groene poorten is de medewerking nodig van buurgemeenten, die daar minder belang bij hebben. Veel dorpen worden liever groter dan groener.

Regisseur en producer

Ik pleit er daarom voor dat het Rijk de regie over de aanleg van groen om de steden neerlegt bij de provincies. Maar een regisseur kan pas goed werken als er een goede producer is, die duidelijke lijnen uitzet en erop toeziet dat de productie op schema ligt. Het Rijk doet dat te weinig – en dat is vraagstuk nummer vier.

Vier vraagstukken – problemen zo u wilt, één gevolg: onze steden blijven te grijs. Dat is slecht voor de stedelingen en slecht voor onze welvaart. Want kijk naar sterke economische regio’s in Europa, zoals Londen, Barcelona en Frankfurt: allemaal kennen ze een stevige groenstructuur. ‘Kwaliteit van het bestaan’, een verzamelterm voor zaken als groen, veiligheid en cultureel aanbod, is voor internationale bedrijven een vestigingsplaatsfactor van toenemende betekenis. Een knellende stadsmuur van steen en asfalt heeft dus ook strikt economisch gezien niet alleen voordelen

Maar… er zit nóg cruciaal een aspect aan dit ‘confettielandschap’- want zo noem ik het - Verspreiding van planten en dieren wordt steeds verder bemoeilijkt doordat corridors dichtslibben. Als één leefgebied bedreigd wordt, is het steeds moeilijker naar een ander leefgebied – als dat al bestaat- te migreren. Ondanks doelstellingen die de Ecologische Hoofdstructuur kan op veel plaatsen de natuur geen kant op. En dat terwijl de mogelijkheden voor het oprapen liggen; het is een kwestie van de stukjes stadsnatuur, parken en singels verbinden met het buitengebied. Natuur ín de stad is nodig, natuur róndom de stad is een must en genoeg groene poorten tussen beide zijn pure noodzaak: slaan we geen bressen in onze moderne stadswallen, dan slaan we gaten in het welzijn van mens, plant en dier.

Dit is een bewerking van mijn bijdrage aan een debatserie over de ruimtelijke inrichting in Nederland in LUX in Nijmegen.

Reageren via Facebook

Over Kees Vriesman

Ir. C.J. Vriesman is programmadirecteur voor het programma Stad Land van de vier grote steden, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, en de drie provincies Noord - Holland, Zuid - Holland en Utrecht, het programma G4P3. Hij was hiervoor algemeen directeur van Staatsbosbeheer