Column/ Strafrechtelijk 'verdachte' door identiteitsfraude /1 reactie

Column: Wilfred van Roij

Foto van de auteur

Na een loopbaan van 25 jaar bij politie Nederland, waarvan de laatste 10 jaar als tactisch (digitaal) rechercheur, heeft Van Roij in mei 2007 de overstap gemaakt naar het bedrijfsleven. Hij is nu algemeen Directeur bij www.digitaleopsporing.nl Digitale opsporing heeft een eigen particulier recherchebureau en forensisch onderzoeksbureau en maakt onderdeel van de Securitygroep van Com-Connect. De unit 112Academy ook onderdeel van Com-Connect verzorgd opleidingen op het gebied van veiligheid.

Zomaar een adres, maandagmorgen ergens in Noord-Nederland. Om 06.00 uur gaat de voordeurbel. Twee agenten, met achter hen een opvallend politievoertuig, zeggen kortaf: “Meneer K., u bent aangehouden voor het in bezit hebben van kinderporno.” K. mag zich nog snel aankleden en wordt daarna geboeid in de politieauto afgevoerd, echtgenote en twee kleine kinderen in ontreddering achterlatend.

Afgelopen weken kreeg ik vele reacties van relaties, klanten en collega’s over een uitzending van Zembla van zondag 9 november 2008, waarin werd aangetoond dat identiteitsfraude of identiteitsdiefstal in Nederland een steeds groter probleem begint te worden. Deze vorm van criminaliteit, het sterkst groeiende misdrijf in de Verenigde Staten, krijgt ook in Nederland steeds meer aandacht van de media.

Overheid denkt mee

Gelukkig hebben we een overheid die met ons meedenkt. Het waren mevrouw Bijleveld, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties, en de heer Hirsch Ballin, minister van Justitie, die met een oplossing kwamen. Vanaf november dit jaar kunnen burgers in Nederland die slachtoffer zijn geworden van identiteitsdiefstal of -fraude, bij wijze van experiment melding doen bij een centraal meldpunt. Een stap in de goede richting. Maar het is juist die overheid zelf die geen duidelijke richtlijnen heeft opgesteld over deze gevaarlijke ‘nieuwe’ criminaliteit.

Neem artikel 27 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. In Nederland wordt als verdachte van een strafbaar feit aangemerkt:

“… degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit”

Feiten of omstandigheden? Het blijft wat vaag. Juist door het interpreteren van deze twee begrippen worden er binnen het Openbaar Ministerie en bij de Nederlandse politie door te weinig kennis van identiteitsfraude vaak foutieve beslissingen genomen. Waarom dat gebeurt? Dat zal ik duidelijk maken aan de hand van de volgende zaak.

Netwerk

In Spanje wordt een netwerk van handelaren in kinderporno opgerold. Er vinden in het land zelf arrestaties plaats van Spaanse klanten. De kinderporno werd aangekocht via creditcards op websites die werden gehost in oostelijk Europa. De Spaanse politie vindt ook veel gegevens van klanten uit andere landen. Aan de hand van creditcards worden zo de gegevens van tientallen Nederlandse klanten doorgegeven aan de Nederlandse justitie met het verzoek om verdere vervolging in te zetten.

Een van deze ‘klanten’ betreft laten we zeggen de eerder genoemde K., de 34-jarige heer J.M. Klaassen wonende in het noorden van het land. Na tussenkomst van het Openbaar Ministerie in Leeuwarden wordt de zaak doorgespeeld aan de afdeling Zeden van het regiokorps Friesland. De zaak komt in handen van een zedenrechercheur die, na overleg met de dienstdoende officier van justitie, opdracht krijgt tot het aanhouden buiten heterdaad van de heer K..

Op dit moment is het in deze zaak in Nederland al drie keer fout gegaan. Binnen Justitie en Openbaar Ministerie ben je op grond van de feiten en omstandigheden in deze zaak verdachte van artikel 240B van het Wetboek van Strafrecht. Dat zegt:

Met gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft degene die een afbeelding - of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreidt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of in bezit heeft.

Het feit en de omstandigheden, waaronder de persoonsgegevens van de heer K. (naam, adres, woonplaats) en zijn creditcardgegevens die werden aangetroffen in een betaalsysteem op internet van waaruit kinderporno werd verkocht, waren voor de Spaanse en ook de Nederlandse Justitie voldoende om K. als verdachte aan te merken.

In de uitzending van Zembla werd aangetoond hoe simpel het is om creditcardgegevens en de bijbehorende persoonlijke gegevens voor vijf dollar op internet te kopen en hoe eenvoudig het dus is om de identiteit van een ander aan te nemen.

Trojan horse

Terug naar ’verdachte’ J. Klaassen, zittend in een cel op het politiebureau van Leeuwarden. In afwachting van zijn verhoor is hij zich van geen kwaad bewust. Hij weet niet dat door de online aankoop van een vliegticket naar Londen, een half jaar geleden, al deze ellende is begonnen. Hoe kon hij nu weten dat een ‘trojan horse’ de door hem ingetoetste creditcardgegevens naar een criminele organisatie online had doorgesluisd?

Het wordt de hoogste tijd dat niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk aandacht wordt geschonken aan het feit dat het heel simpel is om de identiteit van een ander aan te nemen, en om vervolgens met deze valse identiteit wereldwijd strafbare feiten te plegen.

Ik vind dat personen die zich bezighouden met het maken of verspreiden van kinderporno zwaar moeten worden gestraft. Maar juist het gegeven dat het hier gaat om criminele bezigheden, maakt dat het probleem van identiteitsfraude alleen maar groter wordt. Want buiten de verdwaalde internetpedofiel die niet weet hoe het nu precies zit, is het binnen de georganiseerde pedofielennetwerken vanzelfsprekend dat de online aankopen worden gedaan met valse creditcardgegevens en een anoniem IP-adres. Dit simpele feit is niet voldoende bekend bij de Nederlandse justitie.

Huiszoeking

Hoe dan verder? In bovenstaande zaak had de oplossing simpel kunnen zijn. Op het moment dat K. door politie en Openbaar Ministerie wordt aangemerkt als verdachte, zijn er meer bevoegdheden beschikbaar dan alleen direct aanhouden. Door middel van een ‘zoeking’ is het bijvoorbeeld mogelijk om de verdachte in zijn privésituatie eerst mede te delen waarvan hij wordt verdacht, dan een huiszoeking te verrichten en vervolgens zijn computer en andere (digitale) gegevensdragers in beslag te nemen voor verder onderzoek.

Door het onderzoek naar de computer en andere mogelijke bewijsstukken naar voren te halen kan veel ellende voorkomen worden. In Nederland zijn tientallen gevallen bekend waarin iemand voor een dergelijk zwaar feit werd aangehouden en na een nacht in een politiecel weer in vrijheid moest worden gesteld.

Gelukkig zijn er voorbeelden waarin aanhouding wel werd uitgesteld en men eerst huiszoeking deed. Al verloopt een dergelijke zoeking vaak met zoveel uiterlijk vertoon dat de omgeving van de ‘verdachte’ zijn oordeel al heeft geveld. En als de plaatselijke pers er lucht van krijgt en melding maakt van een huiszoeking waarbij computers en gegevensdragers uit een woning zijn meegenomen, is het kwaad geschied. Immers, ‘waar rook is, is vuur’.

Reputatieschade

Door overhaast handelen ontstaat eenvoudig imago- en reputatieschade die voor het slachtoffer van identiteitsfraude bijna niet meer te herstellen is, met alle gevolgen van dien. Het wordt de hoogste tijd dat Justitie en specifiek de officieren van justitie die een opdracht tot aanhouden geven, zich realiseren dat de verdachtmaking die uitsluitend gebaseerd is op het feit van aangetroffen persoons- en/of creditcardgegevens grote risico’s met zich meebrengt.

De namen en woonplaatsen in deze column zijn fictief, de genoemde zaak en de andere slachtoffers van identiteitsfraude in Nederland zijn dat niet.

Reageren via Facebook